Artikel over Stichting Kind en Rouw, verschenen in het tijdschrift: “Arts en Auto” – November 2003 door Franck van Wijck

Huisarts kan rol spelen in rouwverwerking kind

Kinderen in een rouwproces kunnen niet altijd terecht bij hun ouders om hierover te praten. Onverwerkte rouw kan levenslange gevolgen hebben. De Stichting Kind en Rouw zet zich daarom in voor een betere rouwbegeleiding van kinderen.

In een gezin overlijdt de vader. Zijn vierjarige kind krijgt ernstige hoofdpijn die zich ontwikkelt tot een chronische aandoening. De huisarts verwijst het kind door naar het ziekenhuis. Daar wordt het behandeld, maar als de hoofdpijn verdwenen is, wordt de behandeling als succesvol afgerond beschouwd.

Deze situatie doet zich voor in één van de voorlichtingsfilms die de stichting heeft uitgebracht. ‘Op zich is dit een voorbeeld van goede behandeling van een kind in een crisissituatie’, zegt David Blitz. ‘Maar toch is het jammer dat het kind vanaf het beëindigen van de hoofdpijn niet meer wordt gevolgd. Het zou met het verdwijnen van de hoofdpijn namelijk ook haar vader “vergeten” zijn. Maar het maakt wel een rouwproces door en als het daarin niet goed wordt begeleid, kunnen later toch weer gezondheidsklachten ontstaan. De rouwverwerking van kinderen moet veel meer een vaste, erkende plaats krijgen in gezinsleven en gezondheidszorg.’ Freelance filmmaker Blitz hoefde dan ook niet lang na te denken toen hij door de stichting werd gevraagd om voorlichtingsfilms te maken en op te treden als woordvoerder. Hij wil het rouwproces van het bovengenoemde gezin een aantal jaren in beeld brengen.

‘Mensen moeten meer gaan nadenken over het rouwproces van kinderen na het verlies van een dierbare’, zegt Free Verloop, oprichtster van de stichting. ‘Als een van de ouders overlijdt kan de achtergebleven ouder totaal opgaan in zijn eigen verdriet. Overlijdt een van de kinderen, dan zijn de ouders volledig van de kaart. In beide gevallen kunnen de achterblijvende kinderen in het gezin met hún rouwverwerking tussen wal en schip geraken. Hun verdriet wordt niet gezien of misschien zelfs niet geaccepteerd.’ Verloop weet waarover ze spreekt. Als meisje van dertien verloor ze haar moeder, waarna zij zich verantwoordelijk voelde voor het gezin. ‘De rest van je jeugd sla je dan over’, zegt ze nu. Toen ze drie jaar geleden – na een loopbaan als verpleegkundige – werd gevraagd om mee te werken aan de opzet van het psychotraumacentrum van het Wilhelmina Kinder Ziekenhuis was ze dan ook meteen geïnteresseerd. Maar dit ging haar niet snel genoeg, zodat ze besloot een zijtak van dit centrum op te zetten dat zich speciaal moest richten op kinderen in een rouwsituatie. Zo ontstond de Stichting Kind en Rouw, met als bestuursleden onder anderen de Utrechtse hoogleraren Jan van den Bout (verliesverwerking) en René Hoksbergen (adoptiedeskundige).

Over rouw wordt in gezinnen te weinig gesproken, vindt de stichting. Toch uit een rouwproces zich altijd wel op de een of andere manier en bij kinderen is het veelal de school waar dit als eerste opvalt. Bijvoorbeeld als het kind ineens in zichzelf teruggetrokken of juist agressief is. Veel kinderen krijgen concentratieproblemen en hun schoolprestaties gaan achteruit. ’Te weinig mensen zoeken professionele hulp voor hun rouwverwerking en dan kan de school voor hun kinderen ook niet zo veel doen’, zegt Verloop. ‘Soms gaan mensen zelf naar de huisarts. Die kan doorverwijzen naar een Riagg, maar daar is niet altijd iemand aanwezig die in deze zorg is gespecialiseerd. Een doorverwijzing naar de GGD komt ook wel voor, maar die is er meer voor acute opvang en rouwverwerking is een langdurig proces.’

De huisarts is te snel geneigd om rouw als een kortdurend vraagstuk te zien. ‘Hij vraagt meestal niet voldoende door’, zegt Verloop. ‘Hij staat er ook niet altijd bij stil te vragen hoe het met de overige gezinsleden gaat. En komt een kind met vage klachten bij hem in de praktijk, dan is hij snel geneigd het te sussen. “Ga maar een paar dagen wat leuks doen, dan kun je volgende week vast wel weer naar school”. Maar dat biedt natuurlijk geen uitkomst.’

Het achterliggende probleem is de veranderde huisartsenzorg, benadrukt Blitz. Vroeger kwam de huisarts geregeld in het gezin en wist hij wat daar speelde. Dat is nu niet meer zo. De intieme band tussen huisarts en gezin is grotendeels verdwenen. Is dit verwijtbaar? Nee. ‘De maatschappij verandert nu eenmaal en de huisartsenzorg verandert mee. Toch zou een huisarts bij signalering van een rouwvraagstuk er goed aan doen direct meer tijd uit te trekken voor de achtergebleven gezinsleden. Hij kan dan professionele ondersteuning bieden in het rouwproces en voorkomen dat een of meer gezinsleden later veel meer beslag op zijn tijd gaan leggen vanwege uiteenlopende gezondheidsklachten. Niet alle veranderingen in een samenleving zijn positief. Herstel van de intieme band tussen huisarts en gezin heeft mijn grote voorkeur.’
En doorverwijzing van een kind naar de kinderpsycholoog? ‘Die wordt eigenlijk alleen geconsulteerd als bij het kind excessen waarneembaar zijn’, zegt Verloop. ‘Het tijdig door huisarts, school, familie, clubgenoten onderkennen van wat er aan de hand is, kan grote problemen voorkomen. Als een kind jaren later gezondheidsproblemen krijgt en daarvoor behandeling zoekt, dan is de koppeling tussen die klachten en het verlies van een dierbare veel moeilijker te leggen.’

Dus moet verwijzing naar de kinderpsycholoog niet de standaardprocedure worden, vinden beiden. ‘De kern is dat binnen het gezin veel meer over rouw moet worden gesproken’, zegt Blitz. ‘Het taboe moet eraf. Daarom verzorgen wij videoproducties waarin we laten zien hoe ouders en kinderen met een rouwproces kunnen omgaan.’ Maar Verloop wil verder gaan: ‘Rouwverwerking moet binnen de gezondheidszorg een vaste plaats krijgen. En op scholen zou het ook aandacht moeten krijgen, binnen lessen psychologie of maatschappijleer. Maar de sleutelrol hoort toch bij de huisarts te liggen. Die staat nog altijd het dichtst bij het gezin en kan bepalen wanneer steun of doorverwijzing nodig zijn. Daarom richt de stichting zijn pijlen ook op hen.’

En dat blijkt te werken. De website van de stichting wordt druk bezocht en veel scholen, artsen en bibliotheken vragen films aan. De recente oproep in dit blad (nr 12) over de stichting leverde reacties op van huisartsen die geen aansluiting vinden als ze het onderwerp rouw willen aankaarten. Dankzij de stichting kunnen ze met elkaar in contact komen en van elkaars ervaringen leren.